Uw zoekopdracht Uw zoekopdracht
PDF PDF Print

Voedseluitdeling in de Malakkakapel

Uit het laatste deel van de Tweede Wereldoorlog zijn mij drie dingen duidelijk bijgebleven: honger, kou en soms angst. Daarnaast ook de Duitse militairen en de grimmige verdedigingswerken die onder andere aan het eind van de Sumatrastraat, waar ik woonde, te zien waren. In de laatste winter van de oorlog kwam de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor voedseluitdeling in de Malakkakapel. Je werd eerst door een dokter en zuster gekeurd op de mate van ondervoeding. Dit gebeurde in het wijkgebouw naast de kapel. De uitslag van de keuring bepaalde, afhankelijk van het percentage van ondervoeding, of je in aanmerking kwam voor deelname en zo ja, of je drie of zes maal per week mocht komen. Later vernam ik dat zes maal was voor kinderen die meer dan 20% waren ondervoed. Samen met mijn zus en broer mocht ik zes maal per week komen eten. Je moest op een bepaalde tijd in de middag naar de kapel komen. Hoe laat weet ik niet meer. Wel weet ik dat je een vaste plaats had. Je moest een metalen pan of schaal en lepel meenemen. Aardewerk was te breekbaar en plastic bestond nog niet. Een vork mocht ook niet uit veiligheidsoverwegingen bij onenigheid tussen de kinderen. De kapel had een houten vloer waarop normaal lange lopers lagen. Met het oog op morsen waren deze tijdens het eten weggehaald. Het eten kwam regelmatig niet op tijd aan en dan moesten de - naar mijn schatting tussen de 150 en 200 - kinderen beziggehouden worden. Het moet met zoveel pratende kinderen met hun metalen eetgerei een enorme kakofonie zijn geweest, hoewel ik dat zelf niet zo ervaren heb, waarschijnlijk omdat ik er zelf aan meedeed.



Om enigszins structuur in het geproduceerde geluid aan te brengen werd er veel met de kinderen gezongen. Het was natuurlijk geen koorzang, maar we vonden het leuk om te doen. Mijn vader die bij de uitdeling was betrokken - hij was boven de leeftijd voor tewerkstelling in Duitsland - kon goed zingen en had meestal de leiding bij het zingen. Ik herinner mij nog woordelijk een liedje waarbij sommige woorden niet werden uitgesproken maar waarvoor we dan, daarvoor in de plaats, bijpassende gebaren maakten. Zodra het eten was gearriveerd, werd er eerst door een van de medewerkers gebeden. Van een van deze medewerkers was al gauw bekend dat hij nogal snel bloosde. Je hoorde kinderen dan fluisteren: "Let op, die wordt rood". We waren niet altijd zo netjes dat we onze ogen dichthielden tijdens het bidden. Daarna moesten we rij voor rij naar voren komen om onze portie in ontvangst te nemen. Die werd met een lepel van een halve liter opgeschept uit een gamel. Bij vast voedsel werd hij netjes glad afgestreken. Je moest je eten in de kapel opeten en mocht het niet mee naar huis nemen. Er was een zeer jeugdige organist, niet de vaste organist van de kapel, die het zingen begeleidde. Of dit altijd zo was weet ik niet meer, maar wel weet ik dat hij tegen het einde van de oorlog een keer het Wilhelmus speelde. Verschrikt probeerde de leiding hem te stoppen, want de oorlog was officieel nog niet voorbij. Misschien was het bij de voedseldroppings door de Geallieerden of de aankondiging van de komende capitulatie.

Enige jaren na de oorlog, toen mijn toen nog aanstaande vrouw een keer bij ons thuis was, floot mijn vader het eerder genoemde liedje dat we regelmatig tijdens de voedseluitdeling hadden gezongen. Mijn aanstaande vrouw reageerde verrast met de opmerking: "Dat zongen we ook in de Malakkakapel bij de voedseluitdeling in de oorlog. Het bleek dat zij daar ook drie maal per week was komen eten, maar wij kenden elkaar toen nog niet. We hebben wel vlakbij elkaar gezeten.
Pas later besef je dat deze voedselverstrekking mogelijk letterlijk levensreddend is geweest. Een groot gevoel van dankbaarheid is er dan ook voor de mensen van de organisatie en uitvoering.                   



De voedseluitdeling was voor alle kerkelijke gezindten en ook voor niet-kerkelijke personen. Op de tekening die Agnes van den Brandeler van de voedseluitdeling in de Malakkakapel heeft gemaakt, zijn nog herkenbare dingen te zien.
Op het podium waar normaal de preekstoel/katheder in het midden stond, werd een tafel neergezet met een wit laken erover en daarop lagen de opscheplepels, afstrijkspanen, enz. Op de tekening staan twee van de heren die voor de uitdeling zorgden op het podium. Links de heer Schuller tot Peursum, lid van de kerkenraad. De ander is de heer Rueck, voorzitter van de collectantenkring. Het eerste jongetje op de voorste rij woonde in een hofje aan de Frederikstraat; ik weet zijn naam nog steeds. Hij zit met blote voeten. Het kan zijn dat zijn klompen bij het portaal stonden, maar ook is het mogelijk dat hij op blote voeten was gekomen, zoals ik wel meer gezien heb. Van de dames op de tekening weet ik geen namen meer.

Het hierboven genoemde liedje is onderstaand weergegeven met de niet uitgesproken woorden onderstreept en daarachter de gemaakte gebaren.

We voeren met een zucht
                gaven allemaal een diepe zucht
Al boven in de lucht                         wezen met een vinger naar het plafond
We zaten zo gezellig in een schuitje    deinden heen en weer
En niemand kon ons zien                  vormden met de vingers een bril voor onze ogen
We hadden pret voor tien                 staken tien vingers omhoog
Lang leve de zeppelin                       een zwaai met de hand en een zoevend geluid

De voedseluitdelingen werden verzorgd door het Interkerkelijk Bureau 's-Gravenhage en omstreken (I.K.B).
Het initiatief tot oprichting werd genomen door de Gereformeerde Kerk van Den Haag West. Het kwam al snel tot een samenwerking met de Hervormde Kerk en Rooms-Katholieke Kerk. Omdat het de bedoeling was aan alle gezindten en dus ook niet-kerkelijken noodvoeding te verstrekken, werd er een vertegenwoordiger van het Openbaar Onderwijs in het bestuur opgenomen.
Het I.K.B. verzorgde ook uitzending van kinderen naar het oosten en noorden van het land. Tevens werd voedsel verstrekt aan zeer ernstig zieke volwassenen.
Per 1 september 1945 kwam er een eind aan de voedseluitdelingen. De normale voedselvoorziening was toen voldoende hersteld.

In die tijd gold voor een volwassen persoon per dag een voedingswaarde als onderstaand.

Voor rustende personen  2260 calorieën
Bij gewoon werk             3000 calorieën
Bij zwaar werk               3300 calorieën

In de praktijk was de volgende hoeveelheid beschikbaar:
augustus 1944            1580 calorieën
januari 1945                 460 calorieën
mei 1945                     320 calorieën
augustus 1945            2350 calorieën

Voor kinderen werd het nagenoeg in evenredigheid minder.

Bob Feenstra
 

Reacties: Geen berichten
Uw reactie
Naam (Log in): 
E-mailadres: 
Onderwerp: 
Bericht: