Uw zoekopdracht Uw zoekopdracht
PDF PDF Print

Kerkelijk leven; historische inleiding

De Nederlandse (christelijke) kerkgeschiedenis met zijn ontwikkeling en zijn afscheidingen, begint in de Middeleeuwen met de verspreiding van het christelijke geloof door zendelingen uit de Angelsaksische wereld. De (katholieke) kerk bereikt dan door haar kennis en door samenwerking met koningen en graven een grote bloei. Door samen te werken met koningen en graven verwaarloosde de kerk volgens velen haar religieuze taak en als reactie daarop ontstonden hervormingsbewegingen. In de 16de eeuw was de hervormingsbehoefte onder de bevolking zo groot dat hervormers als Luther en Calvijn eigen kerken op konden richten. Aanhangers van Calvijn stichtten in ons land 'de enige ware kerk', de (Nederduits) Gereformeerde Kerk, die in veel opzichten een staatskerk werd. Andere kerkgenootschappen werden getolereerd, oogluikend toegestaan of vervolgd, maar het katholieke geloof mocht niet openlijk worden beleden.

De Franse Revolutie bracht gelijkheid voor iedereen en vrijheid van godsdienst. In 1816 werd deze door koning Willem I weer beperkt. Hij stelde de Nederlandse Hervormde Kerk in, een voortzetting van de (Nederduits) Gereformeerde Kerk, maar meer van boven geleid. Willem I bevorderde met allerlei goede maatschappelijke bedoelingen één openbare, vrijzinnige, protestantse kerk. Dat betekende dat niet alleen de katholieken ontevreden waren, maar ook de conservatieve protestanten. De eerste tegenbewegingen ontstonden, de eerste groepen scheidden zich af. In het zuiden kwamen de katholieken in opstand en scheidden zich af als het koninkrijk België.
In het noorden splitsten groepen protestanten zich van de kerk af in twee hoofdrichtingen, de Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Bond. De eerste is in 1869 als Christelijke Gereformeerde Kerk ontstaan uit groepen die zich in 1834 (Afscheiding) en 1866 (Doleantie) afsplitsten van de Hervormde Kerk. De tweede werd in 1906 als Gereformeerde Bond tot verbreiding en verdediging der Waarheid in de Nederlandsche Hervormde (Gereformeerde) Kerk opgericht om de Hervormde Kerk van binnenuit in orthodoxe richting te hervormen. De Bond bleef dus binnen de Hervormde Kerk.

In de grondwet van 1848 kwam echte vrijheid van godsdienst, maar toen de paus opnieuw bisdommen wilde oprichten leidde dat in 1853 tot protesten van protestanten en conservatieven, de zgn. Aprilbeweging. De katholieken moesten meer dan een eeuw werken aan hun 'emancipatie' om eeuwenlange achterstelling op protestanten goed te maken. In Nederland ontstond het typisch Nederlandse verschijnsel verzuiling. De Nederlandse maatschappij werd opgedeeld in volkomen van elkaar gescheiden segmenten die ieder een eigen samenleving in stand probeerden te houden. De protestante, katholieke, socialistische en liberale zuilen zorgden voor eigen onderwijs en organisaties op elk denkbaar terrein van maatschappelijk leven.

DE KERK NA DE TWEEDE WERELDOORLOG

Na de Tweede Wereldoorlog kregen de kerken te maken met grote veranderingen. Eerst werkten ze nog met nieuw elan aan de eigen zuil. Hervormden wilden het 'verloren volk' terugwinnen en de katholieken wilden de achterstand op de protestanten helemaal inlopen, de emancipatie voltooien. De hervormde kerk kreeg in 1951 de vroegere presbyteriale structuur weer terug. Deze structuur was meer democratisch dan de kerkorganisatie die koning Willem I in de 19de eeuw had ingevoerd.

Terwijl de zuilen in de jaren vijftig weer werden opgemetseld, gingen ze ook al de eerste scheuren vertonen. De veranderingen die in de maatschappij begonnen, sloegen over naar de kerk. Verschillende factoren brachten een proces van secularisatie (verwereldlijking) en ontzuiling op gang.
De maatschappelijke invloed op de kerken is complex en bestaat uit nauw met elkaar verweven factoren waarvan een aantal duidelijk meewerkte aan het proces van verwereldlijking en ontzuiling.
De nadruk op eigen verantwoordelijkheid en op individuele ontplooiing was onder meer een reactie op de verschrikkelijke daden die mensen in de oorlog in opdracht van hogerhand hadden uitgevoerd.
Meer dan voorheen streefde men naar een rechtvaardiger en democratischer samenleving. Misstanden als rassendiscriminatie, kolonialisme en andere vormen van onderdrukking moesten worden bestreden.

Door het stijgende opleidingsniveau en de komst van televisie accepteerden mensen minder makkelijk het gezag van autoriteiten. De komst van de televisie zorgde voor een betere verspreiding van ideeën van buiten de eigen zuil. Beter onderwijs zorgde voor mensen die vragen stelden, kritiek uitten, een eigen mening vormden en invloed eisten.
Er kwam meer aandacht voor professionele uitvoering van taken die vroeger het domein van de kerk waren, zoals de sociale zorg. Deze ontwikkeling ging ten koste van de levensbeschouwing. Kerken raakten hun laatste bemoeienis met maatschappelijke taken kwijt aan de overheid. Katholieke orden en kloosters verloren hun taken op het gebied van onderwijs en ziekenzorg. Verzuilde organisaties die nog bleven bestaan gingen door allerlei overheidsmaatregelen professioneler werken.
De stijgende welvaart leidde tot teruglopend kerkbezoek. Er kwam geld voor vakanties en andere vormen van buitenkerkelijke ontspanning.

VERANDERINGEN IN DE KERKEN


In jaren na de oorlog periode verminderde de aandacht voor de leer en werd de aandacht voor ethische kwesties groter. Mensen wilden zelf meer kunnen beslissen. Het belang van het individu werd groter. Vooral katholieken en later ook leden van de Gereformeerde Kerken kregen modernere opvattingen over onderwerpen als huwelijk en echtscheiding, seksualiteit, voortplanting en abortus.

Katholieken
In 1959 kondigde de nieuwe paus Johannes XXIII een concilie aan dat het geloofsleven moest vernieuwen en de kerk moest aanpassen aan de moderne tijd ('aggiornamento'). Dat concilie, het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965), was het begin was van een snelle modernisering van de religieuze en ethische opvattingen van veel katholieken. De volkstaal werd bijvoorbeeld toegestaan in de liturgie en de positie van de plaatselijke bisschoppen en leken werd versterkt. De kerk werd voorstander van democratie en van principiële gewetens- en godsdienstvrijheid. Op het hierna door de Nederlandse bisschoppen bijeengeroepen Nederlands concilie ('Pastoraal Concilie', 1965) bleek echter een dat er een kloof was tussen progressieve en conservatieve Nederlandse katholieken en tussen de Nederlandse kerkprovincie en Rome. Desalniettemin werd in het Nederlandse katholieke godsdienstonderwijs het accent van geloofsinhoud verlegd naar geloofshouding. Naast de gedeeltelijke invoering van de volkstaal werden andere vernieuwingen ingevoerd. De sterke versobering van de katholieke liturgie viel bij de kerkgangers minder in de smaak.

Hervormden
Ook de protestantse kerken sloegen in de jaren zestig een progressieve richting in. Er werd gestreeft naar democratisering en samenwerking met andere kerken (oecumene). De zending werd meer gericht op hulpverlening. In 'basisgroepen' en 'kritische gemeenten' werd geëxperimenteerd met alternatieve, vaak politiek getinte liturgie of met combinaties van liturgie en sociale en politieke actie. De Sjaloomgroep uit 1963 was een van de eerste oecumenische groepen die gaandeweg steeds progressievere ideeën gingen aanhangen. Omdat de hervormde synode in 1978 vast hield aan een vooruitstrevend beleid met steun aan antiracismeprogramma's en geweldadige bevrijdingsbewegingen verliet het Leger des Heils in 1981 de Wereldraad van Kerken.

Gereformeerden
De Gereformeerde Kerken maakte een zeer radicale verandering door naar een progressieve en vrijzinnige kerk. De gereformeerde synode brak in 1967 met de besluiten van de synode van Assen (1926) en ging met het synodale rapport God met ons (1980) verder dan de Hervormde Kerk. Dit rapport liet het absolute gezag van de Bijbel over leer en leven verder los dan de Hervormde Kerk dat deed. Vanaf 1968 stonden alle kerkelijke ambten in de Gereformeerde Kerken open voor vrouwen. De gemeente werd actiever ingeschakeld en de dominerende rol van de predikant nam af. De samenleving en de wereld kregen meer aandacht dan voorheen.

Vernieuwing in de leer

In vrijwel alle kerken werd de liturgie gemoderniseerd en het was op dit gebied dat de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken voor het eerst naar elkaar toe groeiden. Men zocht hierin naar de oorspronkelijke bronnen van de leer, er kwam meer eenheid, maar er kwam ook meer variatie in de vorm van de liturgie.

Nieuwe Bijbelvertalingen zouden een moderner taalgebruik moeten krijgen. De Rooms Katholieke Willibrordvertaling verscheen in 1978. Het Nederlands Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbelstichting gaven samen een Bijbel in de omgangstaal uit, de Groot Nieuws Bijbel. In 2004 verscheen een nieuwe interconfessionele Bijbelvertaling. De Gereformeerde Bijbelstichting hield vast aan de Statenvertaling.

De Heidelbergse Catechismus (handleiding voor het wekelijkse onderricht aan jongeren in de Hervormde en Gereformeerde kerken) werd in de jaren zestig vervangen door eigentijds materiaal. Het cursusaanbod werd gevarieerder en werd ook gericht op andere groepen dan jongeren.

REACTIE EN HERLEVENDE ORTHODOXIE

De progressieve tijdgeest van de jaren zestig en zeventig leidde niet alleen tot verzet uit conservatieve hoek, maar ook de orthodoxie herleefde. Bovendien verlieten progressieve mensen de kerk, zodat conservatieven er getalsmatig meer invloed kregen.

Katholieke Kerk
In de Katholieke Kerk groepeerden conservatieven zich rond het tijdschrift Confrontatie (1964-1994), in organisaties als het 'Michael-legioen' (1968) en later in het 'Contact Rooms-Katholieken' (1986). De paus trok het benoemingsproces van bisschoppen naar zich toe, maar de benoeming van behoudende bisschoppen leidde tot een felle polarisatie in de Nederlandse kerk. Hoewel de Rooms-Katholieke Kerk vooral een kerk van het midden bleef, werd haar uitstraling merkbaar orthodoxer.

Protestante kerken
Binnen de Hervormde Kerk nam de invloed van de (orthodoxe) Gereformeerde Bond toe en de orthodox-protestantse kerken verzetten zich met succes tegen grote theologische en maatschappelijke veranderingen.

Evangelische beweging
Vanaf het eind jaren van de jaren vijftig begon in Nederland de zgn. 'evangelische beweging' aan een snelle groei. Het gaat om kerken die niet zijn aangesloten bij een van de grote kerkgenootschappen, zich kenmerken door een evangeliserend (wervend) karakter, een informele liturgie en een uitbundige geloofsbeleving met een populaire liedcultuur. De beweging presenteerde zich vanaf de jaren vijftig vooral in de jongerenwereld via internationale organisaties als Youth for Christ en later ook via grote jongerenfestivals.
Een groep als de 'getuigen van Jehova' wezen elke bemoeienis met kerk of staat af en richtten zich op het einde van de wereld en op het begin van Christus' duizendjarige rijk. De Pinksterbeweging werd bekend van de 'geestesdoop', de tongentaal en gebedsgenezing en groeide van 7.500 leden in 1960 tot 70.000 in 1989. In 1979 verenigden de losse groepen zich in de koepelorganisatie Evangelische Alliantie. De Evangelische Omroep fungeerde sinds haar oprichting in 1967 als spreekbuis van de Evangelische beweging.
Vergelijkbare bewegingen in katholieke kring waren beperkter van omvang.

Media en politiek
Ook de zwakkere confessionele profilering van omroepen en politieke partijen gaf een conservatieve reactie. De Evangelische Omroep (1967) groeide in de jaren negentig uit tot de belangrijkste christelijke organisatie in protestants Nederland. In 1971 werd het Reformatorisch Dagblad opgericht om de rechterkant van protestants Nederland te bedienen. Als gevolg van fusiebesprekingen van de protestante partijen ARP en CHU met de katholieke KVP werd in 1975 de Reformatorische Politieke Federatie opgericht.

SAMENWERKING


Oecumene
De oecumene, de samenwerking tussen kerken, was een andere belangrijke ontwikkeling in dit tijdvak. In 1946 werd de Oecumenische Raad opgericht als samenwerkingsverband van enkele kerken, maar pas in de jaren zestig kwamen er katholieke en hervormde richtlijnen voor oecumenisch gedrag. In 1967 erkenden katholieken en hervormden elkaars doop. Andere kerken sloten zich daar later bij aan. In 1968 traden de Rooms-Katholieke Kerk en de Gereformeerde Kerken toe tot de Oecumenische Raad, vanaf dat moment Raad van Kerken in Nederland geheten.

Samen op weg
De teruggang van het aantal kerkgangers zal hebben meegeholpen aan wenselijkheid van een fusie van protestante kerken. Het Samen op Weg-proces werd op gang gebracht door jongeren, maar de kerken namen dit initiatief over. In 1973 was er een gezamenlijke synode en in 1986 verklaarden beide kerken zich 'in staat van hereniging'. In 1990 deed de Evangelisch-Lutherse Kerk mee met de fusiebesprekingen, maar een deel van de Gereformeerde Bond bleef met een groep conservatieve hervormden buiten de fusie. Zij gingen verder onder de naam van Hersteld Nederlandse Hervormde Kerk.

ONTKERKELIJKING


De ontkerkelijking ging bij rooms-katholieken en gereformeerden het snelst. Vernieuwingen leidden niet tot een nieuwe begeestering van de kerkleden. Het sacrale karakter van het ambt van zielzorger nam af. Al in de jaren vijftig ging het aantal priesters en kloosterlingen afnemen. Steeds minder mensen wilden geestelijke worden. Het sociale aspect van het werk van priester werd groter. Ook in de protestantse kerken verminderde het onderscheid tussen ambtsdragers en gemeenteleden.

ONTZUILING

De ontkerkelijking liep parallel met de ontbinding van de zuilen. Na een aanvankelijke opleving van de zuilen kwam in de jaren zestig de ontzuiling op gang. De kerk werkte daar zelf aan mee, door het werk binnen de zuil te professionaliseren. De wika-opleiding (werker in kerkelijke arbeid) in Driebergen werd bijvoorbeeld omgezet in een sociale academie en deze school kwam steeds losser te staan van de officiële kerk. Daarnaast nam de overheid taken als armenzorg en sociale zorg volledig over. Bij al deze taken speelde levensbeschouwing steeds minder een rol.
Alleen in het onderwijs en in de media ging de ontzuiling minder snel. Omroepen en bijzondere scholen bleven bestaan. Er kwamen zelfs scholen uit vrijgemaakt-gereformeerde en reformatorische richting bij.

De ontzuiling lijkt vooral de Katholieke Kerk te hebben getroffen. Vooral de religieuze orden en congregaties werden getroffen omdat zij immers de taken hadden uitgevoerd die de overheid in de jaren zestig overnam: onderwijs, maatschappelijke zorg en ziekenzorg. Maar ook op andere gebieden verdween de katholieke zuil sneller dan de protestante. Katholieke vakbonden gingen op in het algemene vakverbond FNV terwijl de protestantse vakbonden opgingen in het protestantse CNV.

Jan van Wandelen, Haags Gemeentearchief


Literatuur
C.N. Impeta, bew. door P. Visser, Kaart van Kerkelijk Nederland, Kampen, 1972.
Otto de Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis, Nijkerk 1978.
Hans Righart, De wereldwijde jaren zestig, Utrecht 2004.
Herman J. Selderhuis (red), Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis, Kampen, 2006.