Uw zoekopdracht Uw zoekopdracht
PDF PDF Print

Leven is veranderen

Als oudste kind ben ik in het voorjaar van 1941 geboren. Mijn ouders kwamen uit grote gezinnen met tien en zeven kinderen. Mijn grootouders, veel ooms en tantes en hun kinderen waren lid van het Apostolisch Genootschap. Binnen het genootschap groeide ik op in de gemeenschap aan de Rosseelsstraat, een gebouw uit 1930, dat volgens mij met de rest van de wijk gebouwd is en waar in die tijd achthonderd tot negenhonderd leden wekelijks op zondag bijeenkwamen. Het was dichtbij waar wij woonden en ik naar de lagere school ging.



Ik bewaar heel warme herinneringen aan de vele jaren dat ik daar was. Zondags ging je altijd 's morgens naar de dienst en vele jaren lang ook nog 's middags. Ook op woensdagavond was er een wekelijks een samenkomst. Als leidraad voor de erediensten op zondag diende en dient een weekbrief, geschreven door de hoofdbestuurder, die de Apostel wordt genoemd.

Binnen de gemeenschap werd veel door de leden zelf gedaan. Mannen gingen in die tijd wekelijks op bezoek bij geïnteresseerden. De vrouwen werkten elke week aan cadeaus die de kinderen vanaf hun geboorte tot en met hun twaalfde jaar met kerstmis kregen. De kleding voor de kerstspelen die jaarlijks door jong en oud werden uitgevoerd, maakten ze ook zelf. Een hele klus in de jaren vijftig voor vrouwen met veelal grote gezinnen.


 


De mannen maakten ook zelf cadeaus, waarvan de hijskranen en kruiwagens die mijn broers kregen mij in het bijzonder zijn bijgebleven.
Van mijn eigen cadeaus zijn het keukentje, de slaapkamer en de uitklapbare naaibox die direct weer in mijn herinnering terugkomen. Al vond ik de naaibox wel erg op de toekomst als huisvrouw gericht…
Als kind had je wekelijks catechisatie en kinderkoor- (op oudere leeftijd meisjeskoor-) repetities, met eigen liederenbundels.
Omdat mijn nichtjes van dezelfde leeftijd waren, hadden wij van jongs af aan een band met elkaar. We deden veel samen en zagen elkaar vaak.
Op zomerse feestdagen gingen heel veel gezinnen met elkaar op de fiets naar Meijendel om daar lekker buiten te zijn en met elkaar te spelen.
Voor de jongens was de echte leren bal die gebruikt mocht worden heel bijzonder. Er werd dus veel gevoetbald door jonge en oudere jongens. De mannen trapten dan graag een balletje mee.
Op achttienjarige leeftijd deed je je confirmatiebelofte tijdens een jaarlijks jeugdappèl voor alle jeugd uit Nederland in de leeftijd van 16 tot 25 jaar. De voorbereiding daarvoor was niet erg intens. Je kwam wekelijks op de kringsamenkomst en in de weken voor de confirmatie kwam de districtsverzorger - in die tijd was dat Oudste Kuijpers - op bezoek bij de groep jonge mensen en vroeg dan of jij je confirmatiebelofte wilde doen. Toen ik daarop met ja antwoordde zei hij: "Nou, kom aan boord, matroos".



Met achttien jonge mensen die zich voelden als vrienden en vriendinnen door de jaren heen, deden wij in 1959 onze confirmatiebelofte. Het jeugdappèl was in die tijd in het Concertgebouw in Amsterdam.
Eenmaal volwassen, werd mij na een paar jaar gevraagd of ik de organisatie en uitvoering van het kleuterkerstspel van ongeveer vijfentwintig kinderen op me wilde nemen, wat ik met veel plezier een aantal jaren met een paar andere volwassenen heb gedaan.
Ook nadat ik getrouwd was en meewerkte in de slagerij die wij toen hadden, deed ik, naast ons gezin met toen twee kinderen, jarenlang mee als dirigente van het meisjeskoor en als verzorgster van jeugd van verschillende leeftijden.
Het plezier, de vele contacten met volwassenen en kinderen en de afwisseling maakten dat ik het nooit als een belemmering of gemis heb ervaren dat er geen tijd was voor activiteiten buiten het genootschap.



Als laatste is mij nog gevraagd om mee te helpen in de geestelijke verzorging als priester. Dat was een grote verrassing voor mij, want ik was inmiddels in de vijftig en voor vrouwen was dit binnen ons genootschap nog niet zo lang mogelijk. Voor die tijd was het uitsluitend voorbehouden aan mannen. In het genootschap heeft elke gemeenschap meestal een voorganger en een aantal priesters voor de geestelijke verzorging van de gemeenschap.
De aanwijzing, zoals het binnen het genootschap wordt genoemd, had voor ons gezin wel als consequentie dat ik wekelijks naar de vergadering in Leiden ging.
De vergaderingen waren op vrijdagavond en een tijdlang ook nog op zaterdagmiddag. Op de vergadering komen de verzorgers van de tien gemeenschappen uit de wijde omgeving van Leiden samen. Deze vergadering dient ter voorbereiding van de zondagse eredienst. De weekbrief van de Apostel, uitgangspunt voor de eredienst op zondag, wordt er uitgebreid besproken en waar nodig verduidelijkt. Daarnaast is er ruimte voor de verzorgers om hun gedachten of vragen kenbaar te maken. Doordat iedereen zijn visie kan geven, ga je dieper in op de weekbrief en krijgt wat erin staat meer betrekking op het dagelijkse leven.
Ook wordt op deze avond vastgesteld welke verzorger de komende zondag naar welke gemeenschap gaat. In ons genootschap gaan de voorgangers en priesters regelmatig naar een gemeenschap in een andere plaats. De gemeenschappen ervaren de afwisseling van de eigen voorganger en priesters met die van een andere gemeenschap als plezierig.
Het houdt wel in dat je een vrij weekend van tevoren moet plannen, anders is het voor de districtsverzorger moeilijk om een indeling te maken.

Deze periode heeft mijzelf ook veel gegeven, omdat je heel bewust bezig bent met het gedachtegoed van het genootschap en er veel persoonlijke contacten zijn met leden ervan. Doordat je zelf een voorbeeld wilt zijn van wat wij uit willen dragen: 'In liefde werken aan een menswaardige wereld' vraagt dit ook een integere levenshouding. Je moet open willen staan voor het anders zijn van de ander en die als aanvulling willen zien. Al doende leer je.

Els Abbink
 

Reacties: Geen berichten
Uw reactie
Naam (Log in): 
E-mailadres: 
Onderwerp: 
Bericht: