Uw zoekopdracht Uw zoekopdracht
PDF PDF Print

'Daar kom ik nooit terug'

Herinneringen aan mijn jeugd in Indië
Eerst een hoogtepunt. Dit is een van mijn vroegste herinneringen. Mijn moeder,  die zelf veel van lezen hield, las mij en mijn broertje elke avond voor. Voor ze begon te lezen moesten wij vertellen wat ze de vorige avond had gelezen.
Toen ik zelf goed kon lezen, zat ik uren in een grote fauteuil te lezen over Winnetou, Old Shatterhand en de indianen. Ook boeken over Michiel de Ruiter en Paddeltje las ik achter elkaar uit. Die boeken werden gekocht van de Madoerese vrouwen die langs de deur gingen om dingen op te kopen en weer te verkopen, de rombengan.
Dan een dieptepunt. Op een dag speelde ik in de garage en zag een bak met allemaal schroefjes en ringetjes. Ik deed een mooi glanzend ringetje van een claxon of zo om mijn ringvinger. Tegen de avond wilde ik het afdoen, want het zal wel een beetje strak. Het lukte niet zo goed. Mijn vader zag mij aan mijn vinger draaien en moeite doen het er af te halen en ging zich ermee bemoeien. Eerst werd het geprobeerd met water en zeep, maar dat ging niet erg en al gauw werd de nijptang erbij gehaald. Pappie was een driftig type en het ging er nogal hardhandig aan toe. Het metaal van het ringetje was erg hard en het zat heel strak tegen de huid van mijn vinger. Al dat wrikken en wringen met die nijptang deed mijn vinger helemaal geen goed. Vel en bloed waren het resultaat in plaats dat het ijzer van dat ringetje kapot ging. Ik gilde moord en brand, want het deed verschrikkelijke pijn. De baboe werd weggestuurd om mijn moeder te halen, die ergens in de straat op visite was. Boe was van streek en riep: "Nonja, nonja, de nonnie is weer erg stout". Zij vond mij toch altijd nakkal betoel (een zeer stout kind)…



Ons vertrek naar Nederland
Wat voorafging: het zal begin april 1946 geweest zijn. Mijn moeder had allang het idee naar Holland te gaan, voornamelijk voor mij, vanwege mijn motorische handicap. Er was een attest van een dokter nodig. Na veel zoeken vond ze een Europese arts die aan het hoofd stond van een geïmproviseerd ziekenhuisje.
Op een dag had mijn moeder een afspraak om met mij op het spreekuur te komen om een paar dingen te bespreken. Na enig onderzoek werd er besloten mij daar achter te laten. Een groot huis met bijgebouwen was het en aan het eind van een lange gang was mijn kamertje, eigenlijk een opgeruimde goedang (berghok) met een bale bale (bamboebed), een klamboe om de muskieten tegen te houden, een plankje aan de muur voor mijn kleren, een paar hansopjes en nog een paar andere dingetjes en een stoeltje om nog wat op te leggen.
's Nachts hoorde ik schoten en achter in de tuin blaffende en jankende honden. Er waren allemaal volwassenen Indonesiërs. Ik, elf jaar oud, was het enige Europese kind.
Aan de andere kant van de gang was ook zo'n kamertje als dat van mij en daar ging ik naartoe om te eten uit een pisangblad. Na tweeënhalve week werd ik weer opgehaald en een paar weken later maakten mijn moeder, broertje en ik ons klaar voor vertrek naar Holland. Mijn vader bleef thuis.

De reis
We gingen naar het vliegveld en stapten in een vrachtvliegtuig, een Dakota geloof ik. In het midden stond de vracht en aan de zijkanten waren ijzeren banken waar wij op zaten. Ik keek door het raampje naar beneden en zag Java onder ons voorbijgaan. We vlogen boven land en ik zag aan weerskanten de witte stranden van het eiland. We landden op het vliegveld van Batavia. Vandaar gingen we met bussen naar een kamp met de naam Adek, een voormalig kamp van de Japanners. We zouden daar maar een paar dagen blijven, maar omdat het havenpersoneel aan het staken was, werden het zes weken. Niet leuk! Maar eindelijk gingen we dan aan boord van het repatriantenschip Sibajak. Toen we de haven uitvoeren, stond ik alleen op het achterdek, zag het land verdwijnen en dacht: "Daar kom ik nooit meer terug".
De bootreis was vol avontuur. We waren nog maar een paar dagen op weg toen er iemand overleed en het schip werd stilgelegd om de overledene een zeemansgraf te geven. In Port Said stopten we ook om iedereen met een treintje door de woestijn naar twee grote tenten van het Rode Kruis te brengen om daar warme kleren te krijgen voor het koude klimaat dat ons in Holland te wachten stond. Ik kan me nog goed herinneren dat mijn maat er bij de schoenenafdeling voor de meisjes niet was en ik naar de jongenskant moest. Ik was daar heel beledigd over. Terug op het schip voeren we gelijk weer verder. We moesten nog door de Golf van Biskaje en lagen achter op het tijdschema. Inderdaad maakten we een fikse storm mee. Iedereen moest in het ruim blijven, waar wij sowieso al de hele reis bivakkeerden. Daar stonden lange tafels waar wij overdag aan aten. 's Nachts sliepen we er in hangmatten die er overheen werden gespannen. Het eten was veel te vet voor mensen die jaren zeer schraal hadden gegeten. Als iedereen een beetje had geproefd, gingen er hele bakken voedsel door de patrijspoort de zee in als voer voor de haaien. Het meegenomen water raakte op en van zeewater werd drinkwater gemaakt. Wat je ook dronk, het smaakte allemaal naar citroen.

Aankomst
Eindelijk kwamen we in de buurt van Nederland en op een dag lagen we voor de Nieuwe Waterweg op de loods te wachten. Er hing een gespannen sfeer. Iedereen verlangde naar het einde van de reis. Intussen waren er om het schip allemaal kleine bootjes komen varen van mensen die hun familie en vrienden tegemoetkwamen en de naam riepen van degene die ze zochten. Wie zijn naam hoorde, snelde naar de reling en riep en zwaaide blij terug.
Wij gingen naar mijn Hollandse oma op de Rijswijkseweg 416. En wat kregen wij een ontvangst! De hele familie was aanwezig om hun Indische familie te ontmoeten. Ze hadden elkaar zeker zo'n tien jaar niet gezien. De kachel in de woonkamer vond ik zo gek! Een oom stak hem aan om te laten zien hoe hij werkte.
Een paar maanden later gingen mijn moeder en broertje weer terug. Ik bleef bij oma voor mijn opvoeding. Het eten was nog allemaal op de bon. Oma ruilde de snoepbonnen voor vlees, want ik moest om aan te sterken iedere middag een ons paardenbiefstuk eten. In de etage waar oma woonde was er alleen een kraan met koud water, geen geiser, niets van dat al. In de WC was een klein fonteintje. Eens in de week moest ik naar een badhuis. Was je na minstens een uur op je beurt te hebben gewacht eindelijk in het badhokje en had je net de kranen van de douche opengedraaid, werd er door een mevrouw in een witte jas die daar de boel schoonhield op de deur gebonkt en riep ze met een zeer onaangename stem: "Opschieten!" Ik vond dat allemaal maar heel gek en irritant.
Na zo'n kleine vier jaar werd ik naar kostschool gestuurd, nieuwe belevenissen tegemoet. Wat een tijd!

A.C. Sleebos

Reacties: Geen berichten
Uw reactie
Naam (Log in): 
E-mailadres: 
Onderwerp: 
Bericht: