Uw zoekopdracht Uw zoekopdracht
PDF PDF Print

De Zaag in het Haagse Bos

Herinneringen van Truus Roof-Bouwes opgeschreven door haar kleinzoon Jos de Grood in April 1977

Het was in de laatste winter van de Tweede Wereldoorlog dat er ten gevolge van de totale ontwrichting van de normale orde een nijpend gebrek aan de meest belangrijke zaken ontstond. Zo had het gebrek aan voedsel deze winter, die als de ‘Hongerwinter’ in de herinnering voortleeft, de beruchte voedseltochten tot gevolg. Ook aan brandstoffen was groot gebrek. Kolen en hout, de brandstoffen waarmee in die tijd gestookt werd, waren, zeker in de grote steden in het westen van het land, nauwelijks te krijgen. Het valt daarom niet te verwonderen dat men in deze bovendien nog zeer strenge winter ten einde raad het oog liet vallen op de her en der aanwezige bomen. Onder het motto “nood breekt wet” ging men op veel plaatsen over tot het kappen van bomen om op die manier aan hout te komen.

Zo gebeurde het dat ook Truus Roof evenals veel andere Hagenaars de stoute schoenen aantrok om op deze manier aan hout te komen. Op een dag pakte zij kordaat een zaag uit de gereedschapskist van haar man, bond deze met een touw onder haar arm en ging met de zaag aldus onder haar jas verborgen op weg naar het Haagsche Bosch. Daar aangekomen voegde Truus zich bij de reeds aanwezige houtkappers en toog aan het werk. Maar het leek haar niet mee te zitten, nog voor zij klaar was met haar zaagwerk klonk de waarschuwing: “Daar komen ze, pas op, daar komen ze!” waarop ieder maakte dat hij wegkwam. Zo ook Truus, maar voor ze er als een haas vandoor ging, had ze nog de tegenwoordigheid van geest om snel de zaag onder de sneeuw weg te moffelen. Maar Truus zou Truus niet wezen als zij zich hierdoor zou laten ontmoedigen. Nauwelijks was de kust weer veilig of zij ging weer terug. Eerst de zaag zoeken want manlief zou het verlies van zijn zaag beslist niet in dank aanvaarden. Maar wat een pech, hoe Truus ook zocht, de zaag bleef weg. Maar wacht, wat voelde ze daar onder de sneeuw. Dat moest hem zijn. Nee, toch niet, het was wel een zaag maar een andere. Ach, wat hinderde het ook, de ene of de andere zaag, ze kon tenminste weer aan de slag. Zo gezegd, zo gedaan en na enige tijd kon ze het resultaat van haar werken in de voor dat doel meegebrachte kinderwagen leggen. Trots haastte Truus zich naar huis achter de kinderwagen, een grote bak naar de mode van die tijd waarin nauwelijks een jaar tevoren de schrijver dezes nog werd rondgereden.

foto: de kinderwagen met daarin Jos de Grood met zijn Oma Truus Roof en haar schoonzus Jannetje Roof, Zuidererpark Den Haag 23 april 1944.

Nu werd hierin een boomstam van een kleine meter naar zijn vurig einde gebracht. Het was nog een heel stuk lopen naar huis want Truus vond het veiliger niet de kortste weg door de binnenstad te nemen. Halverwege de tocht naar huis moest ze een hoge brug over. Was het de brug die de Laan van Meerdervoort over het water van de Waldeck-Pyrmontkade leidde? Truus, moe van het lopen en van de spanning probeerde tevergeefs de kinderwagen met zijn zware last over de hoge brug te duwen. Het lukte haar niet. Zoekend keek ze rond. Daar stonden twee nogal deftig uitziende heren voor een huis te praten. “Vooruit,” dacht ze, “de brutalen hebben de halve wereld” en ze vroeg: “Heren, zoudt U mij een handje willen helpen?” De Heren keken elkaar eens aan en schoten te hulp. Toen zij zagen wat voor een baby toegedekt was, moesten zij glimlachten maar zij zeiden niets. Na met een “hartelijk dank voor de hulp” afscheid genomen te hebben, vervolgde Truus haar weg naar huis.

Eindelijk thuisgekomen werd zij opgewacht door haar nu niet erg vriendelijke man. Klaas, die van tevoren niet geweten had dat Truus op pad zou gaan, was danig ongerust geworden. Zelf wat banger uitgevallen had hij het nooit zo erg begrepen op de ondernemingen van zijn meer avontuurlijk aangelegde vrouw. Zijn stemming werd er nog slechter op toen Truus hem bij het vertellen van haar belevenissen moest bekennen dat zijn zaag verloren was gegaan. Voor de troost van Truus dat ze toch een andere zaag had meegenomen was hij niet erg ontvankelijk. Voor hem, een timmerman, was zijn zaag zijn voornaamste gereedschap en de andere zaag werd al bij de eerste aanblik een slechte zaag bevonden. In andere tijden zou dit alleen maar een pech geweest zijn maar in dit oorlogsjaar was bijna niets meer te krijgen en zeker geen goede zaag. Ook in de eerste jaren na de oorlog bleef dit soort zaken moeilijk verkrijgbaar. Jaren later kon Klaas als hij herinnerd werd aan het voorval, nog hartgrondig mopperen over die ‘rot zaag’ die Truus had meegenomen nadat ze zijn goede zaag had kwijt gemaakt. Was het toeval dat Klaas later uit een deel van de kern van de stam dat ongebruikt was gebleven voor het vuur, een mooie knop maakte waarmee de verstelbare steun van een door hem voor zijn dochter gemaakte boekenplank werd vastgezet, of was het misschien om een stukje herinnering vast te houden?