Uw zoekopdracht Uw zoekopdracht
PDF PDF Print

Twee geloven op één kussen...

Op een koude, donkere en voor mij erg late decemberavond in 1949 loop ik met mijn vader door de Herenstraat in Voorburg terug naar huis. In de ene hand een boekje en in de andere een papieren zak met daarin een appel en kerstkransjes. Ik ben voor het eerst in mijn vijfjarig bestaan naar een kerkdienst geweest en wel bij de kerstviering van de zondagsschool in de van oorsprong middeleeuwse Oude Kerk.



In de kerk stond een metershoge kerstboom met tientallen lichtjes die als je je ogen een beetje dichtkneep wel duizenden sterretjes leken. Bij het kerstverhaal gingen de lampen uit en werd de ruimte alleen verlicht door de kaarsen in koperen kronen en in de boom. Bij het Ere zij God trok het orgel alle registers open en kwam er een geweldig geluid dat helemaal trilde in je buik en waarbij volgens mijn kinderlijke gedachte het lied der engelen in het veld van Efrata maar eenvoudig moet zijn geweest.
In januari 1950 ging ik naar de zondagsschool en vanaf de eerste keer boeide mij de hele sfeer en vooral het fenomeen van het flanelbord waar de juffrouw, o wonder, met losse figuren het bijbelverhaal in beeld bracht.

Toen ik twaalf jaar werd en de zondagsschool zou moeten verlaten, besloot ik er assistent te worden. Enige jaren later werd ik hoofdleider.
In dezelfde Oude Kerk waar ik mijn eerste kerstfeest beleefde, was ik in juni 1944 gedoopt en had ik de namen Mijndert (naar mijn vader) Hendrik (naar Hendrika, de moeder van mijn vader) Maria (naar de moeder van mijn moeder) gekregen. In die laatste naam, Maria, lag meteen het dubbele dat heel mijn leven een niet te negeren rol is blijven spelen.

Mijn ouders zijn in 1943 getrouwd en mijn moeder, die uit een traditioneel blijmoedig katholiek gezin kwam, is toen Nederlands Hervormd geworden. Dat heeft natuurlijk voor de nodige problemen en verdriet gezorgd, maar het moet gezegd dat bij mijn geboorte het wederzijdse respect weer terug was en dat lijkt mij achteraf wel het minste wat men kon doen zo midden in een oorlog waarvan het verloop totaal onduidelijk was en de zwaarste beproevingen nog moesten plaatsvinden.

Ik groeide op in een hervormd milieu waar men CHU stemde, een protestants liberale politieke partij. Er werd veel gezongen en gemusiceerd, maar psalmen stonden in mijn herinnering niet op het huisrepertoire. Wel de Johannes Passion en verder opera en operette. Voor iedere maaltijd werd het Onze Vader gebeden en alleen bij het avondeten las mijn vader een gedeelte uit de bijbel volgens een schema uit het kerkblad. Bij Paulus maakte mijn moeder bezwaren en stelde ze voor deze vrouwonvriendelijke man maar over te slaan. Met een kort en simpel gebed: "Heer, wij danken U voor deze spijzen, Amen" werd de maaltijd afgesloten.

Aan de lagere School met de Bijbel heb ik maar één trauma overgehouden: het wekelijkse Psalmversje. Iedere maandagmorgen moesten we in de klas om de beurt een van te voren opgegeven lied uit het Psalm- en Gezangenboek uit het hoofd opzeggen. Het bestuderen werd natuurlijk steeds uitgesteld, dus kwam het op de zondag neer. Dat kwam de stemming niet altijd ten goede. Er was toen op zondagmorgen een radioprogramma met de naam 'Zondagmorgen zonder zorgen', waarin ik mij natuurlijk helemaal niet herkende.

Na de lagere school ging ik trouw iedere week naar catechisatie en bijbelklas van de zondagsschool en dinsdagsavonds naar de CJMV (Christelijke jongemannenvereniging).
Voordat ik belijdenis van het geloof zou afleggen, had ik mij door Ds. Wagener laten informeren in hoeverre er specifieke onderdelen in stonden die haaks zouden staan op de overtuiging van mijn katholieke grootouders, maar de geloofsbelijdenis is hetzelfde. Dit dilemma viel dus weg en zo deed ik met Pinksteren 1962 Belijdenis in de Oude Kerk, in aanwezigheid van familie inclusief mijn katholieke grootmoeder. Het voor het eerst deelnemen aan het Heilig Avondmaal maakte diepe indruk op mij.
Na mijn middelbare school lag het in mijn bedoeling de opleiding tot WIKA (Werker in kerkelijke arbeid, een soort hulpdominee) te gaan volgen, een functie die we nu als pastor zouden omschrijven.
Tot zover een compleet hervormd plaatje.



Maar daarnaast speelde nog een andere realiteit. De ouders van mijn moeder woonden in het Bezuidenhout en ik ging er vanaf mijn zesde jaar regelmatig naar toe. Dwars door het puin; dat sprak enorm tot mijn verbeelding. Mijn oma kon boeiend vertellen over het bombardement van 3 maart 1945 en de daaropvolgende branden. Hoewel later bleek dat hun huis op het nippertje aan verwoesting was ontkomen, waren ze toen het te precair werd toch naar Voorburg gevlucht. Door de luchtdruk waren alle ruiten eruit en mijn grootouders hebben ruim een jaar met dichtgetimmerde ramen moeten leven. Hun kerk aan de Boskant was ten gevolge van het bombardement totaal uitgebrand. Op een zondagmorgen in november 1953 ben ik met hen in de noodkerk van de Boskant aan de Fluwelen Burgwal voor het eerst in mijn leven naar de Hoogmis meegegaan. De kerk was in 1946 gebouwd met afgebikte stenen uit het puin.

De pontificale mis op Allerheiligen met drie heren in prachtige kazuifels voor het met bloemen versierde, met veel zilver omgeven hoofdaltaar met de honderden kaarsen, veel wierook en een groot mannenkoor. Het protestante kind was overrompeld.
Met de wierookgeur nog in de kleren kwamen bij mij de eerste vragen over de oude kerk met pastorie aan de Princessegracht, waarvan ik alleen de ruïne kende en de half ingebrande deurposten mij duidelijk maakten hoe vernietigend een bombardement kan zijn.
Mijn familie bleek al sinds 1855 te kerken in de H. Antonius en H. Lodewijkkerk zoals de kerk officieel heette. Mijn grootvader, geboren in 1885, was er gedoopt. In 1945 had hij in een winkelpand in de Korte Poten dat tijdelijk als noodkerk dienst deed zijn veertigjarig jubileum als lid van het college van collectanten gevierd!



Thuisgekomen zag ik een foto van het oude interieur van de versierde kerk bij de festiviteiten rond de zevenhonderdste sterfdag van St. Franciscus in 1926. Ik had zo een beeld van de verloren gegane glorie van het rijke roomse leven. Het gegeven van het noodlot dat het historische kerkgebouw met zijn fraaie interieur in neorenaissance stijl en pastorie afbrandde omdat er onvoldoende middelen waren om te blussen, heeft mij nooit meer losgelaten. Sinds die dag ging ik regelmatig mee naar de mis als dat zo uitkwam.

Veel indruk maakte ook de grote jaarlijkse genade-novene tot de H. Antonius van negen dinsdagen met als afsluiting de lelieprocessie. De processie vindt plaats in juni en het kan dan al flink warm zijn. De combinatie van de zware lucht van honderden lelies en het rijkelijk gebruik van wierook was gewoon bedwelmend. Daarbij werd het keerlied 'Antonius van Padua, zo heilig en zo goed, wij loven God die door uw hand zovele wondren doet' door een stampvolle kerk uit volle borst meegezongen.



In de welkomstgroet 'Beminde gelovigen, Vrienden van de Boskant' kwam duidelijk naar voren dat deze kerk niet alleen door parochianen werd bezocht, maar men ook uit omliggende gemeenten graag naar deze franciscaner kerk kwam. Iedere gelegenheid werd aangegrepen om feest te vieren, zoals een priesterjubileum, een gouden bruidspaar, Franciscusfeest of het kerkkoor dat jubileerde.
In 1961 bestond het koor Deo et Ecclesiae Sacrum (Aan God en Kerk gewijd) 150 jaar, een reden om de orgeltribune uitbundig te versieren met tapijten, bloemen en palmen.
Natuurlijk brandde ik bij elk kerkbezoek een kaars bij Antonius in zijn eigen kapel achter in de kerk en bij het prachtige marmeren Mariabeeld, nog afkomstig uit de oude kerk. Ik kwam in contact met koster Wim Jehee, die zijn vader, die sinds 1900 koster was geweest, had opgevolgd. Door de vele ontmoetingen en gesprekken met hem kwam de geschiedenis van de parochie voor mij tot leven.

Bij die oma in huis was er ook een geheel andere sfeer dan in mijn protestantse thuis. In iedere kamer hing een crucifix en er stonden heiligenbeelden. In de grote kamer was een Heilig Hart met aan beide zijden een knielende engel. Bij Maria in de slaapkamer brandde altijd een lampje met een verlicht kruisje erin. Met de kerstdagen stond er een flinke boom met daaronder, o wonder, een stalletje waar het kindje pas in de kerstnacht bij werd gezet; tot dat moment was die plek verwachtingsvol leeg. Verder waren er natuurlijk de drie koningen inclusief knecht en kameel, die vanaf kerst iedere dag een tree van de boventrap afdaalden zodat ze precies met Driekoningen beneden waren gearriveerd en bij de stal konden worden geplaatst.

Begin jaren zestig stonden ze er de eerste Kerstdag al bij, omdat ze volgens mijn oma in deze moderne tijd met het vliegtuig kwamen. Met feestdagen werd er veel uitgebreider en gevarieerder gegeten dan in mijn hervormde omgeving. Zo waren er na de Nachtmis pasteitjes, saucijzenbroodjes en krentenbrood.
Wanneer er in de zomer onweer op komst was, toog mijn oma gewapend met wijwater en een palmpasentakje door het huis, sloeg daarmee in ieder vertrek een kruis en sprak dan de woorden: "Er kan nu niets meer gebeuren". We gingen dan ook gerustgesteld thee zitten drinken terwijl het onweer donderend overtrok. Het gebeurde ook wel eens dat het beeld van Antonius achterstevoren stond en op mijn vraag waarom kreeg ik het antwoord dat de heilige een verzoek van haar niet had ingewilligd en dus even uit de gratie was. Na een bezoek aan een meeting van de gebedsgenezer Osborn in 1958 op het Malieveld vertrouwde ze me toe het toch maar bij haar eigen geloof te houden, want ze had meer vertrouwen in Antonius dan in deze man.

Na mijn diensttijd trouwde ik en in 1967 trokken mijn vrouw en ik naar Amsterdam, waar ik bedrijfsleider werd van boekhandel Mulder in de Cornelis Schuytstraat in Oud Zuid.
Hoewel deze jaren buiten de Haagse herinneringen vallen, waren er in die tijd zoveel ontwikkelingen op kerkelijk gebied die voor zeer velen van enorme invloed zijn geweest, dat ik hieraan toch een aantal regels wil wijden. We kerkten in de Willem de Zwijgerkerk, waar mijn vrouw en ik al snel bij de zondagsschool waren betrokken. Onze beide zonen werden echter in Voorburg gedoopt, want de geboorteplaats bleef toch een rol spelen. Het was de tijd dat de kerkgang flink terugliep; de opkomende welvaart, veel meer inspraak en niet te vergeten de nieuwe richtlijnen van het Concilie (1962-1965) en de daaruit voortkomende veranderende inzichten speelden hierbij een grote rol.


 
Op 14 februari 1971 was ik aanwezig bij de laatste dienst in de NH Koepelkerk aan het Leidsebosje, die het jaar daarop werd afgebroken. In datzelfde jaar ging de Willibrord buiten de Veste, een gigantische schepping van architect Cuypers, tegen de vlakte. In die tijd ontmoette ik pater Jan van Kilsdonk, die werkzaam was in de Amsterdamse studentenecclesia samen met o.a. Huub Oosterhuis. Tot het overlijden van van Kilsdonk in 2008 was er tussen ons een niet aflatende genegenheid.
In deze onrustige tijd ontspon zich vooral de discussie over het gehuwde priesterschap en liturgische vernieuwing.

Een buurman in Amsterdam was Jos Brink. Via de winkel kwamen we regelmatig in gesprek en we bleken veel gemeenschappelijke interesses te hebben. Naast de belangstelling voor de jaren dertig die we deelden, waren we beiden zondagsschoolmeester geweest en speelde bij ons de drang tot preken nog steeds een rol. Bovendien sprak de katholieke kerk ons als niet-katholiek erg aan. We noemden ons in die jaren protoliek en vooral Jos raakte, onder andere door zijn verhuizing naar de binnenstad, steeds meer betrokken bij een geloofsgemeenschap die kerkte in het gekraakte kerkgebouw de Duif. Toch zou het nog tot 1984 duren voordat Jos regelmatig als voorganger optrad in deze oecumenische basisgemeente. In deze ontwikkeling hebben mijn ouders indirect nog een rol gespeeld. In Voorburg was onze familie bevriend met Annet van der Bel, die toen directrice was van de Aelbrecht van Beieren Stichting, een bejaardenhuis in Den Haag. Haar kwam ons wel en wee op kerkelijk gebied in Amsterdam ter ore. Ze trok de stoute schoenen aan, belde Jos in 1973 en vroeg hem bij een kerstdienst een meditatie te doen. Jos bleef actief in dit bejaardenhuis, ging zich bezighouden met begeleiding van de ouderen en werd huispastor. De bewoners noemden hem 'Dominee Brink'.

In 1973 hoorde ik via de uitgever van Michel van der Plas dat deze een boek aan het samenstellen was met de kenmerkende titel 'De kerk gaat uit'. Ik nam contact met hem op en vroeg of de rijke historie van de Boskant er ook in vermeld kon worden. Dat lukte en dus staat in dit boek over een halve eeuw katholiek leven in Nederland een kenmerkend verhaal over deze Haagse diplomatenkerk.
In mei 1974 waren bij mij in de boekwinkel ds. Buskes, prof. Kuitert en prof. Schillebeeckx aanwezig om hun boeken te signeren. Alle drie hebben op het kerkelijk gedachtegoed van die tijd behoorlijk hun stempel gedrukt.



In 1975 kwamen we weer terug in de Haagse regio en werd het kerkbezoek bij de Boskant weer opgepakt. Iedere morgen passeerde ik op weg naar mijn werk bij boekhandel Van Stockum de kerk en liep even naar binnen. Dat kon heel gemakkelijk, want er was toen nog drie maal per dag een H. Mis en de kerk was al open voor de mis van 9 uur. Dat binnenlopen gebeurde ook op zaterdag na het winkelsluiten. De mis van 17.30 uur was nog in volle gang en in die jaren had je als citykerk nog een volle bak. De ochtendmis op de dag voor kerstfeest gaf mij een diep geluksgevoel vol blijde verwachting. Het altaar stond in zijn overweldigend zilveren uitstraling met uitbundige bloemversiering al klaar voor de viering in de kerstnacht, maar nog totaal in het donker op enkele kaarsen op de offertafel na. Je voelde dat er een groots feest te verwachten viel.

Een gebeurtenis die mij altijd is bijgebleven is een ochtend in juni 1976. Mijn moeder was al een aantal jaren ziek en knapte na iedere ziekenhuisopname toch steeds weer wat op. Natuurlijk verzocht ik bij ieder gebed dat mijn moeder toch nog bij ons mocht blijven. Zo ook op een vroege ochtend in juni 1976. Ik had een kaars aangestoken bij Maria en terwijl ik mijn gebed uitspreek, kijkende naar het beeld, zie ik de kaars plotseling doven als een teken. Mijn moeder overleed op 3 juli.



Op 3 oktober 1976 werd groots de 750ste sterfdag van Franciscus van Assisi gevierd. Bij dit soort feesten gaf de drumband van de Boskant acte de présence.
Van pastoor Moons kreeg ik alle ruimte me aan de historie te wijden. Dat resulteerde in een aantal lezingen in de kerk, waarbij het Oeral Kozakkenkoor zijn medewerking verleende met Wim v.d. Panne als organist.

Er veranderde in die jaren zo veel dat ik mij zorgen maakte over de roerende goederen, maar ook over het kerkarchief dat zich nog steeds in de pastorie aan de Rijnstraat bevond. Er werden daar toen al rondom veel panden afgebroken. Gelukkig maakte pater franciscaan H.C. Kesseler een inventaris en in oktober 1984 werden de historische stukken, waarvan de meeste waren gered bij de brand in 1945, zekergesteld in het Gemeente Archief. Het kerkzilver werd geïnventariseerd en vastgelegd op dia's. De twee tafelkandelaars met opzetstukken, Haags zilver uit 1759, in gebruik in de pastorie, kwamen gelukkig in het bezit van het Haags Gemeentemuseum.

Op 30 oktober 1981 herdachten we dat de Noodkerk 35 jaar geleden in gebruik was genomen en in de loop van 1982 kwamen de plannen voor nieuwbouw in de binnenstad plotseling in een stroomversnelling. De laatste dienst vond plaats op 25 september 1983. In de stampvolle kerk werd de Choral Messe van Anton Bruckner uitgevoerd met na de communie het ontroerende Panis Angelicus. Ten slotte droeg pastoor Hendriks gekleed als franciscaan het Ons Heer beschermd (de hostie) onder de stola uit de kerk onder het luiden van de klok en het zingen van 'U zij de glorie, opgestane Heer' door de parochianen en vrienden van de Boskant. Er werd tijdelijk gebruik gemaakt van de Duitse kerk aan het Bleijenburg. Op 7 juli 1984 wijdde mgr. Ph. Bär, bisschop van Rotterdam, de nieuwe kerk in. Bij de voorbereidingen van de inrichting hield ik mij vooral bezig met het kerkzilver. Het was dan ook een heel bijzonder moment toen we samen met de koster W. v.d. Werf het zilveren altaar naar binnen brachten en op zijn plaats stelden.




Ik moest toen pas heel sterk denken aan een voorval in 1944. De kerk waar mijn moeder haar hele jeugd toe had behoord, liet zich niet zomaar afschepen met het feit dat zij Nederlands Hervormd was geworden. Er kwam dan ook regelmatig een pater van OLV van Goede Raad op bezoek met pogingen de genomen stap te corrigeren. Toen dit niet bleek te lukken, werd mijn moeder, maar vooral haar kind - ik dus - in een niet al te kleurrijk hemelsvooruitzicht geplaatst. En nu, veertig jaar later, was ik actief bezig bij de inrichting van de nieuwe kerk. Het gezegde 'Gods wegen zijn ondoorgrondelijk' was hier wel heel erg van toepassing. Bij het Mariabeeld kwam de tekst: 'Bij de verwoesting van de oude Boskant bleef dit beeld behouden, behoedt ons nu voor altijd Maria. 3 maart 1985'.



Ik veranderde in die tijd ook van baan en werd leraar aan het Ondernemerscollege, kwam weer in Voorburg wonen en steeds bleef mijn leven verweven met de Boskant. Daarnaast kerk ik in de Petrus en Paulus in Leidschendam en ga regelmatig naar de Duif in Amsterdam. In 2004 togen we met de hele familie en vrienden naar de hoofdstad waar met Pinksteren Jos voorging in de Duif. De intenties voor mijn zestigste verjaardag waren in deze viering opgenomen. Een warm en diep dankbaar stemmend gebeuren voor mij en al diegenen die mij dierbaar zijn. Helaas moesten we in 2007 in datzelfde kerkgebouw na bijna veertig jaar vriendschap afscheid van elkaar nemen. In de Boskant bestaat sinds 2002 het RK Spiritueel Centrum De Boskant, een initiatief van de parochie H. Antonius van Padua en Dekenaat Vliethaghe. Door lezingen, debatten en presentaties staat het huis van Franciscus nog steeds midden in het Haagse geestelijke leven.

Na een zoektocht van vijftig jaar werd ik in 2004, samen met mijn huidige partner, officieel Rooms Katholiek. Het verwonderde kind uit 1954 was eindelijk thuisgekomen.
Bij mij had tussen die twee geloven vooral liefde gewoond.


Labyrint

Ik maak mij op om het Midden te vinden, het Doel van het leven.
Wanneer ik het zien kan, is de weg daarheen zeker en licht.
Maar op omwegen worden mijn stappen gevoerd.
Mijn God, hoeveel wendingen liggen nog voor mij?
Menigmaal geloof ik bij het Doel te zijn.
Dan weer sta ik bijna aan het begin.
Aarzelend, tastend, ga ik naar voren.
Ik ervaar: iedere ommekeer brengt mij dichter bij U.
Geen stap is tevergeefs voor U.
Eer ik het begrijp, ligt het nieuwe spoor voor mijn leven voor mij.

In bovenstaand gedicht, gemaakt in Chartres door de Evangelische kerkgroep uit Duitsland, vind ik mijn zoektocht verwoord.

Meindert Marijs

Meer lezen over de Boskantkerk
Goossens, L.A.M. en M.H.M. Marijs. De Boskant; de geschiedenis van de Franciscanenkerk in de Haagse binnenstad. 1984.
Haags goud en zilver. Waanders / Gemeentemuseum. 2005
Kok, J.A. de. Acht eeuwen Minderbroeders in Nederland. 2007
Marijs, M.H.M. De Boschkant. Een Haagse Waterstaatskerk. Spiegel Historiael, Jrg. 1978 no. 13, pag. 350 - 356
Marijs, M.H.M. 's-Gravenhage in Beeld. De residentie in de twintiger en dertiger jaren. 1979.

 

Reacties: 1-2
Door Gast: Marian van der Meer @ 2014-03-13 17:49:05
Memories
Beste Meindert Marijs,
Wat leuk om, al surfend op het Internet, jouw naam tegen te komen en zo jouw Haagse geschiedenis te lezen. Jaren geleden waren wij collega's bij Van Stockum. Ik was wat aan het mijmeren over het verleden en van het een kwam het ander.
Ik hoop dat alles goed gaat met jou, je vrouw en je twee zonen?
Met vriendelijke groet,
Marian van der Meer
Door Gast: Marianne de Rooij-Fruitema @ 2015-06-07 22:07:46
Jeugdherinneringen
Per toeval kwam ik hier terecht, doordat ik zocht op Rijnstraat, waar ik in mijn jeugd gewoond heb op de hoek van de Oranje Buitensingel/Rijnstraat. (Zie foto)
De titel van het verhaal maakte mij nieuwsgierig en helemaal toen ik las dat het ook over de Boskant kerk ging. Mijn moeder was katholiek mijn vader niet, mijn broer, zussen en ik zijn wel katholiek opgevoed en gingen wij dus parochianen van de Boskant kerk. Mijn broers was misdienaar en zat ik zelf op het zangkoor en herinner me nog dat wij met een pater missiebusjes gingen ophalen. Om vooral jongeren in de jaren zestig bij de kerk te houden, werden er jongerenmissen en gezellige avondjes georganiseerd! Bijzonder om die foto's van de (nood) kerk te zien, mijn moeder had een eigen plaats waar ze voor moest betalen.
Reacties: 1-2
Uw reactie
Naam (Log in): 
E-mailadres: 
Onderwerp: 
Bericht: