Uw zoekopdracht Uw zoekopdracht
PDF PDF Print

Recht op recht

Een verhaal moet een kop en een staart hebben. Het jaar 1885 is het begin. Het geboortejaar van mijn beide ouders: vader Formijn in Tiel, moeder Neeltje in Rotterdam.
Na zeven jaar belandde mijn moeder met haar broertjes en zusjes in het weeshuis, ordelijk opgedeeld naar geslacht en leeftijd. Ze was in één klap vader, moeder, broertjes en zusjes kwijt. Die zag ze niet meer terug. Zo werkte dat in die tijd.

Formijn was de middelste van drie zonen. Die ontmoeting met Neeltje was niet per ongeluk. Na twee mislukte pogingen om vriendinnen aan zijn moeder voor te stellen nam hij een besluit. Hij vatte op zaterdagavond post bij de poort van het weeshuis. Daar observeerde hij de meisjes. Deze manoeuvre herhaalde hij een paar weken. Met succes!
Neeltje, bedeesd en mooi, werd door hem hoffelijk benaderd. Ze werden verliefd, maar hij bracht haar niet naar zijn moeder. Want die zag er niets in om haar zoon het huis uit te zien gaan. Zijn broers waren al weg en zij wilde niet alleen achterblijven.

U begrijpt het misschien al. Niets menselijks was hen vreemd: Neeltje werd zwanger.
Pas toen ze daar zeker van waren, gingen ze naar Formijns moeder om haar het 'blijde' nieuws te vertellen.

Mijn oudste broer is in 1914 geboren. Daarna kwam er in 1917 een zus, in 1921 weer een broer, in 1926 weer een zus en als hekkensluiter kwam ik, nog net in 1928, de jongste telg in de familie.
Een redelijk groot gezin dus, ook in die jaren. De jongste zijn heeft voor- en nadelen. Iedereen let op je, je hebt voor je het weet drie vaders en drie moeders! Maar de enig echte moeder stak daar resoluut een stokje voor. Zij had het laatste woord. Basta! Ook de veel gehoorde mening dat de jongste telg in een familie verwend word, gaat niet altijd op. Er wordt maar zelden echt naar je geluisterd; de ouderen hebben belangrijkere zaken te vertellen. 't Is maar hoe je het bekijkt.

JEUGD
Mijn jeugd verliep voorspoedig. Van de crisisjaren heb ik niet veel meegekregen. 'Bewaarschool', lagere school, ik vond het allemaal heerlijk. Een christelijke school, de 'Ds. van den Bosch', met iedere ochtend een bijbelse vertelling als goede start.
Eén ding in die vooroorlogse tijd is me wel bijgebleven. Vaders van klasgenootjes werden werkeloos. Dat betekende armoede. Ze kregen schoolvoeding, maar ook schoolschoenen. Tot de dag van vandaag zie ik die nog voor me: zwarte of bruine vetermolières, jongens en meisjes dezelfde. Daar herkende je ze aan. Dat vond ik vreselijk.

1940. Oorlog. Een verwarrende tijd om jong in te zijn. Geheimzinnig ook, want je was te jong om te begrijpen. Maar mijn ouders en oudere broers en zussen veranderden. De sfeer in huis was gespannen. In 1941 kwam ik van de lagere school. In september ging ik naar de MULO aan de Mient. Toen gebeurde er iets onbegrijpelijks: mijn altijd gezonde vader werd ziek. Dat had ik nog niet eerder meegemaakt. Zonder enige voorbereiding ging hij na zes weken ziekbed dood. In mijn gevoel ben ik op slag volwassen geworden. Ik moest nog dertien jaar worden. Nauwelijks gewend aan de nieuwe school kreeg ik een nieuwe status. Ik moest voor mijn moeder en zusje zorgen. Dat vond ik tenminste. Mijn zus van 15 lag ook in het ziekenhuis en mijn moeder was helemaal het spoor bijster. De andere kinderen waren het huis al uit.


Na verloop van tijd kwam er weer een zekere regelmaat in ons leven. We gingen verhuizen, want ons oude huis was te groot en te duur. Moeder kreeg wel een weduwepensioen, maar we moesten drastisch bezuinigen. De oorlogsproblemen bleven ons ook niet bespaard. Mijn vader was zo'n typische spil in de familie geweest; hij kon alles regelen. Maar dat was abrupt gestopt. Het moet gezegd: moeder werd snel een soort duizendpoot. Bekwaamde zich in de financiën, werd lid van de Nederlandse Huisvrouwenbond. Kortom: chapeau. Maar de hongerwinter werd wel de vuurproef. Geen school, want er was niks. Geen verwarming, geen onderwijzers, een groot aantal leerlingen opgepakt, ondergedoken, uitgehongerd. Eén dag in die winter herinner ik me nog heel goed. Het had flink geregend en daarna stevig gevroren. Straten spiegelglad. Op mijn volledig versleten schoenen en mijn oude houten schaatsen ging ik na lange tijd vrolijk naar school. Met je jas aan in de klas. Blij elkaar weer te zien. Tot we naar huis gingen en het ijs verdwenen bleek. Op volkomen versleten schoenzolen naar huis. Wat een teleurstelling.
Ook aan oorlogsjaren komt een eind. Maar meteen aan de jeugd. Oorlogskinderen hebben beslist een kortere levensaanloop gehad.

JONG VOLWASSEN
1945: nog lang een bewogen tijd. Vreemd, maar ik herinner me niet dat het een vrolijke tijd was, al zou je dat verwachten. Bange vermoedens werden bevestigd: de honger was nog lang niet achter de rug. Ondervoeding blijft soms een leven lang merkbaar.
De eindexamens in 1945 werden overgeslagen. Als de schoolresultaten van de voorgaande jaren goed werden bevonden, kreeg je je diploma uitgereikt. Alleen de zwakke leerlingen moesten het laatste jaar alsnog doen. Ik wilde de verpleging in, maar dan moest je 19 jaar zijn. Ik was 16. Moeder stelde voor dat ik in de tussentijd naar de huishoudschool zou gaan om praktische dingen te leren. Op mijn 18e jaar werd ik aangenomen in het Juliana Kinderziekenhuis op de polikliniek. Na dat jaar mocht ik de driejarige opleiding gaan doen. Tot mijn spijt moest ik ervaren dat de oorlogsjaren hun sporen na hadden gelaten. Het eindexamen heb ik liggend op de brancard wel gehaald, maar met het advies erbij dat ik beter een ander, minder zwaar beroep kon kiezen. Mijn botten en wervels hadden in de puberteit hun tol betaald aan honger en gebrek. Dat kwam niet meer goed. Jammer, maar helaas.
Nieuwe periode dan maar.

HUWELIJK EN GEZIN

Het was 1950. Na een lange rustperiode, veel oefenen en therapie werd ik eervol ontslagen door het JKZ. Geen baan, geen huis, geen inkomen. Wél een verloofde. Kersvers terug uit Indonesië. Kamer(s) zoeken en dan maar trouwen, augustus 1951.
Achteraf gezien was dat een voor de hand liggende oplossing. Ook voor hem was het ondoenlijk om weer bij zijn ouders in te trekken. Hij was 28 jaar, ik 22. Hij had vóór Indonesië bij de telefoondienst gewerkt en kon daar meteen weer aan de slag.
Het was behoorlijk wennen, voor ons allebei. Aan elkaar en aan de nieuwe omstandigheden. Uit het drukke ziekenhuisgebeuren ineens op één kamer in het Bezuidenhout. Ik wist met mijn tijd geen raad.
Eén ding wist ik zeker: ik wilde kinderen! Mijn man was enig kind en had hier nog nauwelijks over nagedacht. Hij kon ook wel zonder, hij wist niet wat hij miste. En voorlopig moest ik oefenen en aansterken. Dus ik oefende me te pletter!

De natuur kwam me te hulp. In die jaren was er van voorbehoedsmiddelen nog weinig of niets bekend. Na een half jaar bleek ik zwanger te zijn. Hoera! In oktober 1952 kwam onze eerste zoon. Het werd wel dringen in huis, maar ik had weer wat omhanden. Hoewel ik één kind een luxe vond, want een zaal vol patiëntjes neemt meer tijd in beslag. Bureau Huisvesting in de Hanenburglaan werd mijn reisdoel achter de kinderwagen, zeker driemaal per week. Wel een eind lopen vanuit het Bezuidenhout, maar ik moest toch oefenen. En ik genoot van de baby.

Na tien maanden succes: een driekamerwoning in de Moerwijk. We konden niet wachten tot de verf droog was. Na drie jaar kwam onze tweede zoon, zeven weken te vroeg, maar na een moeilijke periode toch gezond en wel. Dat betekende stapelbedden bouwen in de kinderkamer. Tot nog toe ging alles ogenschijnlijk voorspoedig. Vader moest wel wennen aan een kleuter en een baby, want dat was allemaal nieuw voor hem.

In de Moerwijk had ik mijn draai gevonden. De Moerwijkgemeenschap was opgericht en ik werd er actief in. Doel was om de scholen, organisaties en kerken te helpen in zo'n nieuwe wijk. Winkelcentra, sportvelden e.d. moesten nog komen. Er waren alleen massa's huizen gebouwd. Daarnaast was ik lid van het kerkkoor en een sportvereniging. Mijn echtgenoot was een fervente knutselaar, had een boot en een motor. Je kon hem in zijn vrije tijd in de kelder vinden. Zijn handen konden maken wat zijn ogen zagen.

SCHEIDING
Zo verstreken jaren. Het werd 1960. De jongens zagen hun vader sporadisch. Hij werkte in de buitendienst: 's maandags weg, vrijdagavond terug. Had in het weekend weinig aandacht voor het gezin, zat meestal in de kelder. Er was geen contact meer, geen belangstelling, wel een vriendin!
Gesprekken met Bureau Huwelijks- en Gezinsmoeilijkheden. In oktober 1960 de knoop doorgehakt. Hij naar zijn vriendin. Bezoekrecht zoveel hij wilde. Dat werd al gauw zaterdags of zondags.
In 1967 officieel gescheiden, want zij wilden trouwen. Intussen had ik tijdens de schooluren al heel wat werk verzet. Een buurvrouw met twee kinderen in dezelfde leeftijd op dezelfde school ving mijn jongens op als ik niet op tijd terug was.

Wat deed ik zoal? Om wat te noemen: enquêtrice bij het CBS. Iedere maand twee dagen een hele rij winkeliers af om prijzen te vergelijken. Maar soms ook een paar dagen naar bijvoorbeeld Zeeland met een lijst adressen om te vragen of en zo ja hoe de mensen hun vakantie doorbrachten. Als wijkverpleegster voor het Groene Kruis (op een Solex, ja ja!) mensen thuis verzorgen. Een paar weken op een Groene-Kruispost de vaste wijkverpleegsters vervangen.
In 1966 werd ik medewerkster bij het vormingswerk voor de werkende jeugd, eerst als administratieve kracht. In 1967 heb ik de urgentieopleiding vormingsleidster in Utrecht gevolgd. Later ben ik directeur van een centrum geworden.

Maar de jongens werden pubers. Ik vond dat ik thuis moest werken. In 1970 dus naar de avondopleiding voor huidverzorging. Na twee jaar gestart met een eigen salon. In de voorkamer. Want intussen hadden we via woningruil een vijfkamerwoning gevonden. De beide jongens een eigen kamer. Wat een luxe!

Een klantenkring heb je niet direct. Die moet je langzaam opbouwen. In die periode kwamen ook de Weight Watchers in Nederland. Eerst heette dat 'Gracia, club voor slankblijvers', onder leiding van Gracia Schimmelpenninck van der Oye. Via de tv vroeg zij om leidsters en na ± vier maanden ben ik begonnen vrouwen (en enkele mannen) in Den Haag slank te praten. Honderden mensen heb ik mogen begeleiden. Een hectische tijd is dat geweest. Ik had soms geen stem meer over. Maar mijn zonen hebben me geholpen met de administratie en het innen van contributie. En, zakenvrouw als ik intussen was, heb ik daar ook heel wat klanten voor de salon aan overgehouden. De zonen waren ondertussen al aardig volwassen. De oudste kondigde aan dat hij van school ging. Hij was al 18 jaar en zat op de Antonie Fokkerschool. Toen ik vroeg wat hij dan van plan was, bleek dat hij al gesolliciteerd had bij de marechaussee. Dat was dan meteen zijn diensttijd. Oké.

Even een sprong voorwaarts in de tijd: in 2009 is hij na 35 jaar gepensioneerd. Hij is getrouwd. Zijn vrouw is politie-inspecteur. Ze hebben twee zonen.
Mijn jongste zoon had na de MAVO vele banen in de verzorging, bij de Kesslerstichting, in Bosch en Duin, Coornherthuis, Bloemendaal… Huidverzorging! Heeft na jarenlange samenwerking de salon overgenomen. Enige jaren geleden is hij met zijn man geëmigreerd naar Zweden. Uit het oog, maar absoluut niet uit het hart.



IN ACTIE
In december 1987 werd mijn ex-man 65 jaar en kreeg pensioen. Ik was ervan overtuigd dat ik daar een deel van zou krijgen, 16 jaar van 40 pensioenjaren en daar de helft van, dus 1/5 deel. Twee maanden gewacht, maar er gebeurde niets. De stoute schoenen aangetrokken en naar het ABP gestapt. De ambtenaar die me te woord stond had alle begrip. Hij legde me uit dat pensioen bedoeld was voor degene die het had opgebouwd. Op mijn beurt legde ik hem mijn situatie uit. Toen sprak hij de volgende woorden: "Als ambtenaar moet ik u zeggen dat u geen been heeft om op te staan. Maar als mens zeg ik u dringend: gaat u er alstublieft iets aan doen!" Deze zin was voor mij het startschot voor actie. Ik heb hem op mijn padvinderseer beloofd dat ik door zou gaan tot het gaatje.
Het was begin 1988. Mijn eerste poging was bij de landelijke ombudsvrouw, Janny Dierx. Zij luisterde aandachtig en sprak me moed in. Ik kreeg een stapel brieven mee van lotgenoten. Die vrouwen heb ik benaderd en dat was het begin van een onstuitbare vloedgolf. Soms voelde ik me net de tovenaarsleerling. Het groeide maar aan. In deze periode kwam ik ook in contact met wat op 8 maart 1989 het begin van de Vrouwenpartij zou worden. Dat was voor mij een hart onder de riem, want iets beloven is één ding, maar er alleen voor staan iets anders. De actie duurde lang, maar sloeg aan. Het zou een boek worden als ik een chronologisch verslag ga geven. Dat doe ik dus maar niet. Wel bedank ik de pers, vrouwen en mannen van dag- en weekbladen, radio en tv. Medewerkers van verschillende instellingen. En niet te vergeten politici in de Tweede Kamer. Niet alleen het Binnenhof heb ik jarenlang onveilig gemaakt, ook het Europese Hof heb ik bezocht, met alle partijen gesproken in Straatsburg. Ik moet een onmogelijk mens voor mijn omgeving geweest zijn. Lieve mensen, ik bied u hierbij mijn verontschuldiging aan. Soms kon ik mezelf ook niet uitstaan.




Genoeg over deze moeizame tijden. Resultaat?
In mei 1995 kwam de wet Pensioenverevening tot stand. Vanaf die datum wordt bij scheiding het tot dan toe samen opgebouwde pensioen van beide partijen 50/50 verdeeld.
Conclusie: wij, oudere vrouwen, hebben de weg geëffend voor onze kinderen en kleinkinderen. Tel uit je winst! Alle moeite is niet voor niets geweest.
De door mij in het leven geroepen stichting 'Recht op Recht vóór '81' is per 1 september 2007 opgeheven. Maar de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen staat indien nodig voor u paraat.

Charlotte de Saint Aulaire
 

Reacties: Geen berichten
Uw reactie
Naam (Log in): 
E-mailadres: 
Onderwerp: 
Bericht: