Uw zoekopdracht Uw zoekopdracht
PDF PDF Print

De schietpartij



Het is begin 1950. In Indonesië hebben de Nederlanders het land na eeuwenlange kolonisatie teruggegeven aan de Indonesiërs. We hopen dat het eindelijk vrede in Indonesië zal zijn, na acht jaren van oorlog en onafhankelijkheidsstrijd. In die tijd geef ik, 23 jaar oud, les op een katholieke jongensbasisschool vlakbij de kathedraal in Bandoeng. Mijn verloofde geeft les op dezelfde school en we zijn van plan om later dat jaar te trouwen.

Het is ochtend, een uur of tien, het uur waarin ik wekelijks alleen in de lerarenkamer zit. Mijn klas, de vierde groep, krijgt dan godsdienstles van een priester, die de kinderen voorbereidt op hun eerste communie. Opeens is er een oorverdovend lawaai, dat afkomstig blijkt te zijn van kogelvuur dat van alle kanten op de kathedraal en op onze school, die achter de kathedraal staat, is gericht.

Ik heb geen idee wat er aan de hand is, maar ben uiteraard doodsbang. Dan zie ik plotseling de buitendeur van de onderwijzerskamer opengaan. Er komt een aantal mensen binnen. Het blijken gelukkig geen soldaten te zijn, maar verkopers die voor de school hun etenswaren plegen te verkopen. Zij proberen beschutting te zoeken tegen de kogels. Samen wachten wij het einde van de schermutselingen die buiten plaatsvinden af.

Als het stil is geworden, gaan de handelaren weer naar buiten en ik ga naar mijn klas. Om de kinderen en mijzelf eerst tot rust te brengen heb ik liedjes met hen gezongen. In sommige klassen waren de leerkrachten zo van streek, dat ze gillend onder de banken doken. Iedereen was natuurlijk vreselijk bang en in de war en wilde eigenlijk maar één ding: zo gauw mogelijk naar huis. Er was geen telefoon en ook nog geen e-mail of iets dergelijks, dus we konden de ouders niet snel waarschuwen. In groepjes, samengesteld op basis van de wijk waar ze woonden, brachten we de kinderen naar huis. Langzamerhand werden de resterende kinderen allemaal door hun ouders opgehaald, zodat ook de leerkrachten naar huis konden gaan. Er was echter één uitzondering, René Cohen. Hij werd altijd pas om 14.00 uur, na de normale sluitingstijd van de school, opgehaald door zijn vader. Om die tijd sloot die namelijk zijn praktijk als tandarts.

Omdat mijn verloofde en ik geen gezin hadden en de andere collegae wel, werd besloten dat hij en ik met René op zijn vader zouden wachten en pas daarna naar huis zouden fietsen.
Eindelijk was dan het moment gekomen dat ook mijn verloofde en ik naar huis konden gaan. Hij bracht mij dagelijks naar mijn huis, waar ik met mijn moeder en zuster woonde, alvorens naar zijn eigen huis te fietsen. Terwijl wij door het Sint Pieterspark fietsten, zag ik opeens in de struiken links en rechts van het fietspad geweerlopen op ons gericht. Geweerlopen van de Indonesische soldaten. "Het is dus nog steeds niet afgelopen", schoot het door me heen. Paniekerig en angstig fluisterde ik tegen mijn verloofde: "Er zitten soldaten in de struiken".   "Niet kijken en rustig doorfietsen", fluisterde hij terug. Dat bleek inderdaad een goede tactiek. We bereikten ongedeerd mijn huis, zij het tamelijk uitgeput van de angst en de opwinding.

Later bleek dat Bandoeng samen met andere steden in Indonesië was aangevallen door een legertje Nederlandse militairen onder aanvoering van een Nederlandse militair, Westerling genaamd. Westerling kon het niet verkroppen dat Indonesië was teruggegeven aan de Indonesiërs en probeerde het land weer terug te veroveren voor Nederland. Dit is uiteraard niet gelukt, maar zijn acties hebben wel veel ongeluk en onrust teweeggebracht.

Hoewel dit kleine oorlogsverhaal in mijn geheugen gegrift is, kan ik het nu pas, na bijna zestig jaar, vertellen in het kader van dit verhalenproject, ook aan mijn kinderen.
Ik ben van mening dat er nooit een goede reden voor oorlog kan zijn.



G. Duif-Portier
 

Reacties: Geen berichten
Uw reactie
Naam (Log in): 
E-mailadres: 
Onderwerp: 
Bericht: